Vrije spinsels
Sterven is de overgang
van hier naar eeuwig leven,
sterven is, al wat je kreeg
ook weer uit handen geven.
De één gaat vroeg, de ander laat,\
geen mens kan dat bepalen.
Bij welke van de twee je hoort,
is niet te achterhalen
Het moeilijkst is voor ieder mens,
dood kent geen onderscheid,
het afstand doen van dierbaren
in ruil voor eeuwigheid.
Maar wel gaat door, wat hier begon,
die liefde die ons bond
en sterker nog: het bindt ons weer
want God is dat verbond.
When fishes flew and forests walked
And figs grew upon thorn,
Some moment when the moon was blood
Then surely I was born;
With monstrous head and sickening cry
And ears like errant wings,
The devil's walking parody
On all four-footed things.
The tattered outlaw of the earth,
Of ancient crooked will;
Starve, scourge, deride me: I am dumb,
I keep my secret still.
Fools! For I also had my hour;
One far fierce hour and sweet;
There was a shout about my ears,
And palms before my feet.
G. K. CHESTERTON
Het is een dier met zeer wijze ogen, dat Meester Gilbert heeft gehouwen op het kapiteel in de kathedraal van Autun met de voorstelling van de vlucht naar Egypte. Zeer wijze en zeer droevige ogen, zoals alleen ezeltjes ze kunnen hebben. Er ligt alle onbegrepen, maar aanvaarde knechtschap in. Het is maar een veracht dier in het huishouden van de mens en zo kijkt het ook. Het kijkt zoals het ezeltje keek van de putjesschepper, dat ik in mijn jongensjaren wel in Amsterdam zag. Het stond gespannen voor een haveloos, roodbruin karretje. Zijn meester prutste met een stok in een putje aan de kant van de huizen; hij gooide het drab, dat hij ophaalde, in een emmer en de emmer werd in het karretje geleegd. Als hij klaar was, nam hij de leidseltouwen, met een rietstok gaf hij het beest een tik op de billen en dan sjokte het weer verder.
Het verachte dier, vuil en raar, met zijn kleine kop en veel te grote oren.
Maar God heeft de ezels lief en Hij heeft ze uitverkoren om Zijn zegen te dragen.
Bileam kon zijn vloek niet uitspreken, die hij op last van Moab over Israël te zeggen had, omdat zijn ezelin de engel des Heren met een vlammend zwaard tot driemaal toe op de weg zag staan, door zijn ezeltje leerde hij de Heer kennen en leerde zegenen wie de Heer zegende.
En een ezeltje droeg de mensgewordene en zijn moeder, zoals later een ezeltje de koning
van Jeruzalem de stad van God zou binnendragen. Het verachte dier.
Maar eenmaal heeft het al mogen zien de goede orde van Gods schoonheid, de paradijselijke heerlijkheid van vrede tussen God en mens en schepping.
En langs de weg door de woestijn springen bloemen op waar het ezeltje zijn hoeven zet, zo heeft Meester Gilbert, lijkt het wel, de vlucht naar Egypte gezien. Wat kunnen de rozetten langs de onderrand van het kapiteel anders vertellen? Eerder dan de mens heeft het ezeltje geweten van de redding, die er wezen zal voor mens en dier.
Het zijn wijze ogen, die naar de rug van Jozef kijken. De ogen van een geknecht dier.
Maar het is niet alleen de droevige wijsheid, dat zelfs paniek niet baat onder de knechtschap.
Gods wereld heeft een toekomst door de last, die dit ezeltje van Meester Gilbert heeft gedragen en die zijn soortgenoot binnen de poorten van Jeruzalem zou brengen.
De eenzaamheid van de mens zal voorbij zijn, want de last van het ezeltje op het kapiteel in de kathedraal gaat naar het altaar en zal er zijn wereld spijzigen met zijn lichaam en bloed.
Dat heeft dit rare dier eerder geweten dan welke mens ook, behalve de Mensgeworden Zoon van God zelf.
Bron: C. W Mönnich, PELGRIMAGE, ontmoetingen met de cultuur,
Moussault' s Uitgeverij N.V., Bussum, 1956.
Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik de goudene deuren wijd
Zag openstaan,
Het was mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep.
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje , dat stout
Doet wat verboden is.
Ik sprak: "Zijn voor die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is? "
Toen sprak ik: "Deze gouden grot
Is immers geen menschenpaleis".
Ik sprak: "Het is een betooverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één die de poorten ontdekken zou,
De doode gewelven wekken zou
Van 't huis, dat ieder menschenhuis
Te boven gaat in pracht".
Ik sprak: "Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!
Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!
Welk aardsche woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjes slot? "
Trotsch, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door 't goud;
Aan beide zijden stonden daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan 't einde van mijn pad
Een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: "Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een grote heerlijkheid
Zal ik dán naar binnen gaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn
De zalen in te gaan!"
Jaqueline van der Waals
bron:" Onze Eeuw", jaargang 3, 1903
Zij staat nog steeds in het midden
in het midden van het dorp
en bij haar de oude molen
Zij was nog ....tot voor kort
onder de oude lindebomen
het huis van zingen, huis van bidden
op aard een stukje Gods resort
Maar wie kent er nog de klanken
"Leid vriend'lijk licht, leid Gij mij voort.."
Wie weet nu nog dat Godes zegen
Onverbreek'lijk bij mensen hoort
Ook al houdt zijn trots hem tegen
Ook al stopt die mens met danken
Eens zingt hij weer: "De morgen gloort..."
Eer preekte er Ds. Bouwers
Luide met zijn zware stem
Het zuiv're Woord, de mensen zaten
stil en luisterden naar hem
Orgel klonk tot in de straten
Langs de dijk van Eems tot Lauwers
Als d' englenzang van Bethlehem
Een stille zondagmorgen, ik verliet
mijn lief Delfzijl met stil verdriet
R. Stoel
HET OUDE DRENTHE EN DE DRENTHEN
Stil en rustig, afgelegen,
Eilandje in 't veenmoeras
Zoo lag 't oude Landschap Drenthe
Dat schier niet toeganklijk was
Drenthe had geen zee, geen stromen,
Voedsters van een handelsstand,
Drenthe had zelfs nimmer steden,
Ieder leefde van zijn land.
Had natuur hier opgebouwd
Twee in 't Zuiden, een in 't Noorden
Westelijk een naar 't Zevenwoud.
Veilig tegen vreemd geweld
Drenthe werd door veenmoerassen
Tot een vrijheidsburcht gesteld
Zelfs de dorpen lagen eenzaam
Ver verspreid op rand en veen,
Als oasen in woestijnen,
Heidevelden er omheen
Daar bij 't afgezonderd leven,
Was de es de voedselbron,
Met de heiden waar de herder
Steeds de schapen brengen kon
Op de maden leefden rundren
Langs der stroompjes groenen zoom,
In het hart van Drenthe graanbouw,
Aan den rand meer melk en room.
Sober was er veld en weide
Harde arbeid vulde aan,
Wat natuur onthield aan Drenthe,
Zoo is 't kalm vooruit gegaan.
't Landschap leerde ons werken, zorgen,
Sparen waar te sparen viel,
Zuinig zijn was ieders leven,
Spaarzaamheid was Drenthe's ziel
Zonder rijkdom, zonder grootheid,
Zonder praal en pracht in huis,
Zonder rijk voorziene schotels,
Zonder lustig feestgedruis.
Leefden Drenthen op hun bodem
Van wat veld en vee hun bood,
Zonder weelde en zonder armoe,
Vond men hier het daaglijksch brood.
ILLUSIE
Dit is mien stark verlangen
De tied wil ik in woorden vangen
Vastleggen wat ongriepbaar liekt
Ik heb 't al zo vaak prebeerd
Van 't leven nog te weinig leerd
Wat oet mien stugge stunteln bliekt
Blief ik, in 't alsmaor korter leven
Naor die vervulling streven
O, iens zal ik het schrieven
Heb ik 't vat in 't leste woord
Dan zal ik alles kunnen zeggen
Weet ik het simpel oet te leggen
Daor in dat heilig neie oord
Veur je zal 't verborgen blieven.
Jan Timmer
(1944 -2011)
Nu ken ik ten dele, maar straks zal ik ten volle kennen zoals ik zelf gekend ben.
(1 Cor.13:12).
Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!
Gij draagt mij met geheel Uw machtig wezen,
En al wat ik moog hopen, of mocht vrezen,
't is alles tijdelijk, 't drijft alles mij voorbij!
Maar Uwe eeuwigheid is altijd rondom mij,
ik ben het schip, de eeuwige Zee, zijt Gij!
Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!
Mijn kiel doorklieft uw Uw grondloos diepe watren
En schoon de stormwind loeit, de donders klaatren,
Schoon ook de laatste orkaan mijn vaartuig gansch verteer,
Ik zink dan toch in 't diepst van Uwe liefde neer,
Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!
N.N.
DE ZAAIER
Ik zag op het verlaten land
een boer, die eenzaam koren zaaide
hij ging gebogen en zijn hand
deed stil het groot gebaar, dat zaaide
want zaaien is een needrig werk
dat in ootmoedigheid geschiede
en groot is het verborgen werk
van God alleen......wiens wil geschiede
van W. A. P. Smit
Dit lijkt een beeld uit lang vervlogen tijden. Een boer die nog met de hand zaait. Maar hoe gemechaniseerd onze moderne landbouw ook is, het is afhankelijk van datzelfdewonder: zaad dat in de grond ontkiemt en groeit. Maar de boer weet dat hij maar een ding hoeftte doen: zaaien!
En dat doet de mens generatie op generatie.
En ondertussen ligt daarin dat " grote werk, het verborgen werk, het werk van Gods hand",stil, machtig en groots
Van Gods hand alleen.....Wiens wil geschiede.
R. Stoel
HET PROBLEEM VAN HET WOORDJE "VRIJZINNIG" IN ONZE TIJD.
De Vereniging van Vrijzinnige Protestanten van de provincie Groningen geeft een blad uit onder de naam "Vrij - zinnig". Prima blad, niks op aan te merken. Op de achterzijde van dat blad staat steevast de volgende tekst, de verklaring van Vrijzinnigheid:
VRIJZINNIG GELOVEN KENMERKT ZICH DOOR EEN VRIJE EN KRITISCHE OMGANG MET DE BIJBEL EN DE CHRISTELIJKE TRADITIE; KRITISCH WANT ZOWEL DE BIJBEL ALS TRADITIES ZIJN GEVORMD BINNEN EEN BEPAALDE CONTEXT, EN VRIJ OMDAT IEDERE GENERATIE HAAR EIGEN VERTALING MOET MAKEN. VRIJZINNIGHEID IS OPEN NAAR DE CULTUUR EN GERICHT OP MENSELIJKHEID.
Deze tekst is ongeveer dertig jaar oud. Tijd dus voor een kritische lezing. Het woord "vrijzinnigheid" heb ik altijd erg gevonden. Het klinkt naar niks en bovendien is het woordje "vrijzinnig" een bijvoeglijk naamwoord en geen zelfstandig naamwoord. Mensen waren vrijzinnig hervormd. Zij waren vrijzinnig met betrekking tot het geloof van de hervormde kerk. Haast elk geloof heeft zijn vrijzinnige en orthodoxe stroming, bijv. het Jodendom en de Islam. Vrijzinnige stroming wordt ook wel de liberale stroming genoemd. Zelfs het communisme had zijn liberale/vrijzinnige stroming. "Vrijzinnig" is dan altijd een bijvoeglijk naamwoord en geen zelfstandig naamwoord.
Er staat: Vrijzinnigheid is een persoonlijke manier van geloven.......... Wanneer ik dat tegen een gereformeerde of orthodox protestantse broeder of een baptist of een katholiek zeg, dan zal die man of vrouw antwoorden: "Beste meneer Stoel, het gaat mij ook om het persoonlijk geloof, mijn persoonlijke relatie met God, daar gaat het om en niet om de leer of zoiets....".
Met andere woorden kunnen we stellen dat de vrijzinnigheid zich niet onderscheid door de uitspraak : "vrijzinnigheid is een persoonlijke manier van geloven".
De volgende alinea: "Vrijzinnig geloven kenmerkt zich door een vrije en kritische omgang met de Bijbel en de christelijke tradititie".
Eigenlijk betekent 'kritische omgang met de Bijbel' het wetenschappelijk bestuderen van de Bijbel. Zo'n 150 jaar geleden was men in kerkelijke kring nogal bang voor wetenschappers die de Bijbel kritisch gingen bestuderen. De Bijbel was het heilig woord van God en daar moest je afblijven. Meer vrijzinnige mensen vonden dat wetenschappelijk onderzoek nodig was en ons veel zou kunnen leren. Bijvoorbeeld over wie Jezus nu werkelijk was. Is alles wel echt gebeurd zoals het geschreven staat? Is Jezus wel werkelijk de zoon van God? enz.
Inmiddels zal niemand meer de resultaten van het moderne bijbelonderzoek ontkennen.
Maar, wetenschap is ook betrekkelijk. Het kan het geloof niet bevestigen noch ontkennen. Bijvoorbeeld of Jezus echt de zoon van God was of niet, is geen zaak van wetenschap maar van geloof. Of hij werkelijk vanuit het graf is opgestaan is geen zaak van wetenschap maar van geloof. Wetenschappelijk onderzoek is heel belangrijk, we kunnen niet zonder, maar het heeft ook zijn beperkingen.
Dan staat er ook nog 'een vrije en kritische omgang met de Bijbel..'.
Wetenschappelijk onderzoek is aan strenge regels gebonden. Daarin ben je niet zo vrij. Dat valt tegen. Wat de vrijzinnigen vroeger wel eisten, was het recht op wetenschappelijk onderzoek, maar dat is wat anders.
Verder ' een vrije en kritische omgang met de bijbel en.....de christelijke traditie...'.
Niet dat ik er iets op tegen heb, maar dat is een katholieke uitspraak. Protestanten zeggen: "Voor ons geldt alleen de bijbel". De katholieken spreken van de bijbel en de geschiedenis vanaf Golgotha tot heden.
De verklaring gaat verder: 'kritisch want zowel de Bijbel als tradities zijn gevormd binnen een bepaalde context'.
Van deze woorden kan ik maar een ding zeggen, nl. dat dit een waarheid als een koe is. En voor waarheden als koeien geldt dat die onvermeld kunnen blijven.
Vervolgens vermeldt de verklaring de volgende onnavolgbare diepzinnigheid: '...vrij omdat iedere generatie haar eigen vertaling moet maken'.
Sorry.., wat zullen we nou krijgen, je bent vrij, maar je MOET je eigen vertaling maken!
Er is een oud lied dat zegt:
Give me that good old religion
it is good enough for me
it was good for my father
for my grandfather
it is good enough for me....
enzovoort.
Vrijzinnigen mogen dit lied kennelijk niet zingen.
Want iedere generatie MOET haar eigen vertaling maken. 'Vrij', maar je moet.
Begrijpt u het nog..?
Kortom, we zijn toe aan een nieuwe verklaring.
R. Stoel