Vrije spinsels


Slechts de zelf geweven stoffen
Eigen wol-en linnengoed,
Vormden steeds de Drentsche kleeding,
't Hout gaf klompen aan den voet

"Sterk en warm"dit waren de eischen
Aan de kleeding hier gesteld,
En bij alles overwoog men:
"Goede waar voor weinig geld"!

Nieuwe snit was geen vereischte,
't Voorgeslacht werd nagedaan,
Drenthe gaf 't klassieke voorbeeld
Dat de mode bleef bestaan

Naar de vormen in de oudheid
Kleedde men zich eeuwenlang,
Door het minst daar af te wijken
Hiervoor was een ieder bang.

Maar hoe ruw, hoe hard en vormloos,
Onder deze grove pij
Klopte toch een hart van trouwe,
Leefde een  geest van banden vrij.

Trouw aan vrienden, vrij in 't denken
Was der ouden Drenthen aard;
Maar de diepste zielsgedachten
Bleven voor hemzelf bewaard.


------------------------------
EEN DING HEB IK BEGEERD

Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:

Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,

Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,

Niet ledig zoude staan!



Want, als op 't strand geslagen door de drift der branding

Een kinkhoorn, draagt mijn ziel uit dit mijn leven mee

De één onzegbare vreugd, die Gij mij hebt gegeven:

Het Ruisen van de Wind: het Ritme van de Zee!



Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:

Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,

Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn verlangen,

Niet ledig zoude staan!

(Geerten Gossaert, 1884-1954)
----------------------------------------------------

DE MOEDER

Hij sprak en zeide

In 't zaêl zich wendend:

Vaarwel, o moeder,

Nooit keer ik weer...

En door de lanen

Zag zij hem gaan en

Sprak geen vervloeking maar weende zeer.



Sprak geen vervloeking...

Doch, bijna blijde,

Beval de maagden:

Laat immermeer

De zetels staan en

De lampen aan en

De poort geopend, de slotbrug neer.



En toen, na jaren,

Melaats, een zwerver

Ter poorte klaagde:

Uw zóón keert weer...

Zag zij hem aan en

Vond gene tranen,

Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

(Geerten Gossaert, 1884-1954)
------------------------------------------------------

Leid vriend'lijk licht   (gezang 230 oude bundel)



Leid vriend'lijk licht, mij als een trouwe wacht,

Leid Gij mij voort

ḱ Ben ver van huis en donker is de nacht

Leid Gij mij voort

Schoon ook de toekomst mij verborgen zij

Licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij


Niet immer sprak mijn ziel zo stil tot U

Leid Gij mij voort

Ik liep mijn weg bij eigen licht maar nu

Leid Gij mij voort

Mijn zonlicht zonk, maar ach mijn hoogmoed liet

Mijn hart geen rust en 'k vond de vrede niet


Schenk mij uw zegen, toon m' uw wondermacht,

En leid mij voort

Langs  't smalle pad tot in de donk'ren nacht

De morgen gloort

Dan lacht mij toe der eng'len trouwe wacht

Die mij geleidd' en mij heeft thuisgebracht.

STERVEN IS DE OVERGANG NAAR HET ANDERE LEVEN

Sterven is de overgang
van hier naar eeuwig leven,
sterven is, al wat je kreeg
ook weer uit handen geven.

De één gaat vroeg, de ander laat,\
geen mens kan dat bepalen.
Bij welke van de twee je hoort,
is niet te achterhalen

Het moeilijkst is voor ieder mens,
dood kent geen onderscheid,
het afstand doen van dierbaren
in ruil voor eeuwigheid.

Maar wel gaat door, wat hier begon,
die liefde die ons bond
en sterker nog: het bindt ons weer
want God is dat verbond.


--------------------------------------------------------------

THE DONKEY

When  fishes flew and forests walked

And figs grew upon thorn,

Some moment when the moon was blood

Then surely I was born;


With monstrous head and sickening cry

And ears like errant wings,

The devil's walking parody

On all four-footed things.


The tattered outlaw of the earth,

Of ancient crooked will;

Starve, scourge, deride me: I am dumb,

I keep my secret still.


Fools! For I also had my hour;

One far fierce hour and sweet;

There was a shout about my ears,

And palms before my feet.



G. K. CHESTERTON
-----------------------
HET EZELTJE


Het is een dier met zeer wijze ogen, dat Meester Gilbert heeft gehouwen op het kapiteel in de kathedraal van Autun met de voorstelling van de vlucht naar Egypte.  Zeer wijze en zeer droevige ogen, zoals alleen ezeltjes ze kunnen hebben. Er ligt alle onbegrepen, maar aanvaarde knechtschap in. Het is maar een veracht dier in het huishouden van de mens en zo kijkt het ook. Het kijkt zoals het ezeltje keek van de putjesschepper, dat ik in mijn jongensjaren wel in Amsterdam zag. Het stond gespannen voor een haveloos, roodbruin karretje. Zijn meester prutste met een stok in een putje aan de kant van de huizen; hij gooide het drab, dat hij ophaalde, in een emmer en de emmer werd in het karretje geleegd. Als hij klaar was, nam hij de leidseltouwen, met een rietstok gaf hij het beest een tik op de billen en dan sjokte het weer verder.

Het verachte dier, vuil en raar, met zijn kleine kop en veel te grote oren.
Maar God heeft de ezels lief en Hij heeft ze uitverkoren om Zijn zegen te dragen.
Bileam kon zijn vloek niet uitspreken, die hij op last van Moab over Israël te zeggen had, omdat zijn ezelin de engel des Heren met een vlammend zwaard tot driemaal toe op de weg zag staan, door zijn ezeltje leerde hij de Heer kennen en leerde zegenen wie de Heer zegende.
En een ezeltje droeg de mensgewordene en zijn moeder, zoals later een ezeltje de koning
van Jeruzalem de stad van God zou binnendragen. Het verachte dier.
Maar eenmaal heeft het al mogen zien de goede orde van Gods schoonheid, de paradijselijke heerlijkheid van vrede tussen God en mens en schepping.
En langs de weg door de woestijn springen bloemen op waar het ezeltje zijn hoeven zet, zo heeft Meester Gilbert, lijkt het wel, de vlucht naar Egypte gezien.  Wat kunnen de rozetten langs de onderrand van het kapiteel anders vertellen? Eerder dan de mens heeft het ezeltje geweten van de redding, die er wezen zal voor mens en dier.

Het zijn wijze ogen, die naar de rug van Jozef kijken. De ogen van een geknecht dier.
Maar het is niet alleen de droevige wijsheid, dat zelfs paniek niet baat onder de knechtschap.
Gods wereld heeft een toekomst door de last, die dit ezeltje van Meester Gilbert heeft gedragen en die zijn soortgenoot binnen de poorten van Jeruzalem zou brengen.
De eenzaamheid van de mens zal voorbij zijn, want de last van het ezeltje op het kapiteel in de kathedraal gaat naar het altaar en zal er zijn wereld spijzigen met zijn lichaam en bloed.
Dat heeft dit rare dier eerder geweten dan welke mens ook, behalve de Mensgeworden Zoon van God zelf.


Bron: C. W Mönnich, PELGRIMAGE, ontmoetingen met de cultuur,
Moussault' s Uitgeverij N.V., Bussum, 1956.
----------------------------------------
NAJAARSLAAN


Ik keek in de gouden heerlijkheid

Van een najaarslaan,

Het was of ik de goudene deuren wijd

Zag openstaan,

Het was mij, toen ik binnen ging,

Of ik door gouden gewelven liep.

Ik aarzelde even, ik ademde diep,

Diep van verwondering.

Ik voelde mij eerst als een kindje , dat stout

Doet wat verboden is.

Ik sprak: "Zijn voor die gewelven gebouwd?

Ben ik zo rijk, dat van louter goud

De gang mijner woning is? "

Toen sprak ik: "Deze gouden grot

Is immers geen menschenpaleis".

Ik sprak: "Het is een betooverd slot,

Dat lang op sprookjeswijs

Geslapen heeft en stil gewacht,

Op één die de poorten ontdekken zou,

De doode gewelven wekken zou

Van 't huis, dat ieder menschenhuis

Te boven gaat in pracht".

Ik sprak: "Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!

Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!

Welk aardsche woning is gelijk

Aan dit, mijn sprookjes slot? "

Trotsch, of ik een prinsesje waar,

Ging ik door 't goud;

Aan beide zijden stonden daar,

Schragend de gangen, hoog en zwaar,

De zuilen opgebouwd.

Waar gouden de portalen zijn,

Hoe zullen daar de zalen zijn!

Ik zag aan 't einde van mijn pad

Een kleine ronde poort,

Als blauw saffier in goud gevat,

En haastig, vol verlangen trad

Ik door de gangen voort.

Ik sprak: "Als bij mijn aankomst wijd

Die poorten openstaan,

In welk een grote heerlijkheid

Zal ik dán naar binnen gaan,

Indien van goud de gangen zijn,

Hoe groot moet mijn verlangen zijn

De zalen in te gaan!"



Jaqueline van der Waals



bron:" Onze Eeuw", jaargang 3, 1903
----------------------------------
De lege kerke


Zij staat nog steeds in het midden

in het midden van het dorp

en bij haar de oude molen

Zij was nog ....tot voor kort

onder de oude lindebomen

het huis van zingen, huis van bidden

op aard een stukje Gods resort



Maar wie kent er nog de klanken

"Leid vriend'lijk licht, leid Gij mij voort.."

Wie weet nu nog dat Godes zegen

Onverbreek'lijk bij mensen hoort

Ook al houdt zijn trots hem tegen

Ook al stopt die mens met danken

Eens zingt hij weer: "De morgen gloort..."


Eer preekte er Ds. Bouwers

Luide met zijn zware stem

Het zuiv're Woord, de mensen zaten

stil en luisterden naar hem

Orgel klonk tot in de straten

Langs de dijk van Eems tot Lauwers

Als d' englenzang van Bethlehem


Een stille zondagmorgen, ik verliet

mijn lief Delfzijl met stil verdriet


R. Stoel
---------------------------------------------------

HET OUDE DRENTHE EN DE DRENTHEN

Stil en rustig, afgelegen,
Eilandje in  't veenmoeras
Zoo lag 't oude Landschap Drenthe
Dat schier niet toeganklijk was

Drenthe had geen zee, geen stromen,
Voedsters van een handelsstand,
Drenthe had zelfs nimmer steden,
Ieder leefde van zijn land.

Slechts een viertal toegangspoorten
Had natuur hier opgebouwd
Twee in 't Zuiden, een in 't Noorden
Westelijk een naar 't Zevenwoud.
Waren Zwitsers door de bergen
Veilig tegen vreemd geweld
Drenthe werd door veenmoerassen
Tot een vrijheidsburcht gesteld

Zelfs de dorpen lagen eenzaam
Ver verspreid op rand en veen,
Als oasen in woestijnen,
Heidevelden er omheen

Daar bij 't afgezonderd leven,
Was de es de voedselbron,
Met de heiden waar de herder
Steeds de schapen brengen kon

Op de maden leefden rundren
Langs der stroompjes groenen zoom,
In het hart van Drenthe graanbouw,
Aan den rand meer melk en room.

Sober was er veld en weide
Harde arbeid vulde aan,
Wat natuur onthield aan Drenthe,
Zoo is 't kalm vooruit gegaan.

't Landschap leerde ons werken, zorgen,
Sparen waar te sparen viel,
Zuinig zijn was ieders leven,
Spaarzaamheid was Drenthe's ziel

Zonder rijkdom, zonder grootheid,
Zonder praal en pracht in huis,
Zonder rijk voorziene schotels,
Zonder lustig feestgedruis.

Leefden Drenthen op hun bodem
Van wat veld en vee hun bood,
Zonder weelde en zonder armoe,
Vond men hier het daaglijksch brood.

---------------------------------------
Een gedicht van Dr. H. Blink, verschenen in 1932, omvattende 25 verzen, wordt hier in de ons gegeven  en komende tijd vermeld.


 

ILLUSIE

 

Dit is mien stark verlangen

De tied wil ik in woorden vangen

Vastleggen wat ongriepbaar liekt

Ik heb 't al zo vaak prebeerd

 

Van 't leven nog te weinig leerd

Wat oet mien stugge stunteln bliekt

Blief ik, in 't alsmaor korter leven

Naor die vervulling streven

 

O, iens zal ik het schrieven

Heb ik 't vat in 't leste woord

Dan zal ik alles kunnen zeggen

 

Weet ik het simpel oet te leggen

Daor in dat heilig neie oord

Veur je zal 't verborgen blieven.

 

Jan Timmer

(1944 -2011)

Nu ken ik ten dele, maar straks zal ik ten volle kennen zoals ik zelf gekend ben.

(1 Cor.13:12).

 

 

Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!

Gij draagt mij met geheel Uw machtig wezen,

En al wat ik moog hopen, of mocht vrezen,

't is alles tijdelijk, 't drijft alles mij voorbij!

Maar Uwe eeuwigheid is altijd rondom mij,

ik ben het schip, de eeuwige Zee, zijt Gij!

Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!

Mijn kiel doorklieft uw Uw grondloos diepe watren

En schoon de stormwind loeit, de donders klaatren,

Schoon ook de laatste orkaan mijn vaartuig gansch verteer,

Ik zink dan toch in 't diepst van Uwe liefde neer,

Ik ben het schip, Gij zijt de Zee, o Heer!

 

N.N.

 

 

DE ZAAIER

Ik zag op het verlaten land
een boer, die eenzaam koren zaaide
hij ging gebogen en zijn hand
deed stil het groot gebaar, dat zaaide

want zaaien is een needrig werk
dat in ootmoedigheid geschiede
en groot is het verborgen werk
van God alleen......wiens wil geschiede

van W. A. P. Smit

 

Dit lijkt een beeld uit lang vervlogen tijden. Een boer die nog met de hand zaait. Maar hoe gemechaniseerd onze moderne landbouw ook is, het is afhankelijk van datzelfdewonder: zaad dat in de grond ontkiemt en groeit. Maar de boer weet dat hij maar een ding hoeftte doen: zaaien!

En dat doet de mens generatie op generatie.
En ondertussen ligt daarin dat " grote werk, het verborgen werk, het werk van Gods hand",stil, machtig en groots

Van Gods hand alleen.....Wiens wil geschiede.

R. Stoel

 


HET PROBLEEM VAN HET WOORDJE "VRIJZINNIG" IN ONZE TIJD.

De Vereniging van Vrijzinnige Protestanten van de provincie Groningen geeft een blad uit onder de naam "Vrij - zinnig". Prima blad, niks op aan te merken. Op de achterzijde van dat blad staat steevast de volgende tekst, de verklaring van Vrijzinnigheid:

VRIJZINNIG GELOVEN KENMERKT ZICH DOOR EEN VRIJE EN KRITISCHE OMGANG MET DE BIJBEL EN DE CHRISTELIJKE TRADITIE; KRITISCH WANT ZOWEL DE BIJBEL ALS TRADITIES ZIJN GEVORMD BINNEN EEN BEPAALDE CONTEXT, EN VRIJ OMDAT IEDERE GENERATIE HAAR EIGEN VERTALING MOET MAKEN. VRIJZINNIGHEID IS OPEN NAAR DE CULTUUR EN GERICHT OP MENSELIJKHEID.

Deze tekst is ongeveer dertig jaar oud. Tijd dus voor een kritische lezing. Het woord "vrijzinnigheid" heb ik altijd erg gevonden. Het klinkt naar niks en bovendien is het woordje "vrijzinnig" een bijvoeglijk naamwoord en geen zelfstandig naamwoord. Mensen waren vrijzinnig hervormd. Zij waren vrijzinnig met betrekking tot het geloof van de hervormde kerk. Haast elk geloof heeft zijn vrijzinnige en orthodoxe stroming, bijv. het Jodendom en de Islam. Vrijzinnige stroming wordt ook wel de liberale stroming genoemd. Zelfs het communisme had zijn liberale/vrijzinnige stroming. "Vrijzinnig" is dan altijd een bijvoeglijk naamwoord en geen zelfstandig naamwoord.

Er staat: Vrijzinnigheid is een persoonlijke manier van geloven.......... Wanneer ik dat tegen een gereformeerde of orthodox protestantse broeder of een baptist of een katholiek zeg, dan zal die man of vrouw antwoorden: "Beste meneer Stoel, het gaat mij ook om het persoonlijk geloof, mijn persoonlijke relatie met God, daar gaat het om en niet om de leer of zoiets....".
Met andere woorden kunnen we stellen dat de vrijzinnigheid zich niet onderscheid door de uitspraak : "vrijzinnigheid is een persoonlijke manier van geloven".

De volgende alinea: "Vrijzinnig geloven kenmerkt zich door een vrije en kritische omgang met de Bijbel en de christelijke tradititie".
Eigenlijk betekent 'kritische omgang met de Bijbel' het wetenschappelijk bestuderen van de Bijbel. Zo'n 150 jaar geleden was men in kerkelijke kring nogal bang voor wetenschappers die de Bijbel kritisch gingen bestuderen. De Bijbel was het heilig woord van God en daar moest je afblijven. Meer vrijzinnige mensen vonden dat wetenschappelijk onderzoek nodig was en ons veel zou kunnen leren. Bijvoorbeeld over wie Jezus nu werkelijk was. Is alles wel echt gebeurd zoals het geschreven staat? Is Jezus wel werkelijk de zoon van God? enz.
Inmiddels zal niemand meer de resultaten van het moderne bijbelonderzoek ontkennen.

Maar, wetenschap is ook betrekkelijk. Het kan het geloof niet bevestigen noch ontkennen. Bijvoorbeeld of Jezus echt de zoon van God was of niet, is geen zaak van wetenschap maar van geloof. Of hij we